Crins zet in Hè Fijn een personage met veel bravoure neer, een personage dat tegelijk bij het minste of geringste uit het veld geslagen is. Een man die het leven eigenlijk niet zo goed begrijpt. Die wel mee wil doen, maar steeds weer door datzelfde leven op zijn plaats wordt gezet.
‘Ik weet het niet’, ‘ik snap het niet’ en ‘ik kan het niet’ zijn zo ongeveer de levensmotto’s van Crins. En hij probeert het publiek daarin mee te nemen. Met onmogelijke vragen aan de zaal. Maar vrijdag in het Hoftheater kreeg hij geen ‘ik weet het niet’. Hij kreeg gewoon antwoorden.
Als je in de keuken van je leven staat, wat zou je dan het liefst om je heen hebben?
Mijn slowcooker.
De beeldspraken sloten niet altijd helemaal aan. Zoals die hijskraan die Crins kocht. Om dingen op te tillen. Eigenlijk is die kraan de beeldspraak voor van buiten naar je eigen leven kijken. Crins bouwt dat prachtig uit. Hij hoort een flard van een telefoongesprek en verzint daar het hele gesprek bij, een setting waarbij het compleet uit de hand loopt, dus besluit hij de persoon die telefoneert er op aan te spreken. Hij fantaseert over weldoen door extra inkopen voor de voedselbank te doen, maar als hij er niet het gepaste respect voor krijgt, neemt hij de extra aankopen mee naar huis. Je bent niet zo maar weldoener!
Ondertussen legt hij het steeds maar weer af. Crins kan het alleen nog maar ‘winnen’ van zijn kinderen, en eigenlijk dat nog niet eens. Het liefst zit Crins in zijn hijskraan, kijkend naar de wereld waar in het hem niet zo goed wil lukken.
Crins weet het niet.






