We reden een kat aan. Mijn vrouw en ik. Nou ja, zij reed. Ik zat naast haar. Het beest rammelde onder de auto door. Soepele botten maar kansloos gekraakt tussen stroef asfalt en bewegend accupakket.
‘Je hebt hem’, zei ik overbodig.
‘Ja godver.’
Mijn vrouw is een doener. Iemand die handelt in crisissituaties. Ze zwiepte haar portier open en liep terug naar de plek van de clash. Samen bogen we ons over de stuiptrekkende en onmiskenbaar stervende kat. Er sijpelde bloed uit de schedel en op de witte markeringsstreep op de weg vormde zich een donkerrode plas.
‘Ik loop naar die boerderij.’ Ze wees naar het huis met stallen achter de bomenrij. ‘We hebben een schep nodig, of een bijl.’ En weg was ze.
Daar stond ik. Alleen met een stervende kat. De achterlichten van de auto floepten automatisch uit. Elektronica blijft gewoon emotieloos werken. Even overwoog ik om de alarmverlichting in te schakelen. Maar de weg was niet druk en om er nou zo’n plaats-delict status aan te geven leek me wat overdreven.
De kat was ondertussen in een hoekige krepeerfase aanbeland. Met lange spasmen en een angstaanjagende grimas op zijn kattengezicht. Ik krabde op mijn haardos en realiseerde me dat ik hoognodig weer eens naar de kapper moest.
Mijn vrouw kwam er weer aan. Met een man in een blauwe overall en op rubberen laarzen. Ik nam aan dat dit de boer was. Ik schatte hem een jaar of dertig.
Ik hoorde ze met elkaar praten terwijl ze in een versnelde pas kwamen aanlopen. De boer had een glanzende, stalen schep in zijn hand.
‘Doe maar rustig aan hoor’, riep ik ze toe. ‘Het is al gebeurd.’
Ik had zojuist geconstateerd dat de kat naar de kattenhemel of de kattenhel, afhankelijk van zijn geloofsovertuiging en levenshouding, was opgestegen. Dat ging niet geheel rustig trouwens. De ziel verliet het arme beest met een kreunende zucht, een soort oerjank, waar ik nog enigszins van stond bij te komen.
‘Ach, ik zie het al’, zei de boer. ‘Het is er eentje van ons’. Soepel ging hij op zijn hurken zitten.
‘Ach gos.’
Even dacht ik dat hij de kat over zijn bolletje zou aaien. Maar dat deed hij niet. Behoedzaam schoof hij het lijkje in het gras naast de weg. ‘Da’s toch ietsje netter zo’, zei hij met overslaande stem. Met duim en wijsvinger wreef hij onder zijn ogen.
Even later zaten we weer in de auto. Beduusd nog, ieder voor zich het voorval aan het verwerken.
‘Zag je de tranen in zijn ogen?’, vroeg ik. Mijn vrouw knikte. ‘Een jonge boer die van dieren houdt. Die gaat het nog zwaar krijgen.’







2 reacties
Bert te Wierk
Dankjewel Henny.
Ik tel al twee lezers. Hoera!
Henny Smeenk-Smale
Wat een heerlijke schrijfstijl. Daar doe je de lezer wel een plezier mee!