Biologische landbouw wordt vaak weggezet als inefficiënt, maar dat beeld klopt alleen als we vasthouden aan ons huidige, sterk op dierlijke productie gerichte dieet. Juist daar ligt de kern: een verschuiving naar meer plantaardige consumptie maakt voldoende, duurzame voedselproductie wél haalbaar en vermindert wereldwijde schaarste.
Door Roos Vonk
Het debat wordt onterecht geframed als een alles-of-nietskeuze tussen volledig biologisch of niet, terwijl een gedeeltelijke omslag (bijvoorbeeld 50% biologisch en grotendeels plantaardig) al grote winst oplevert. Tegelijk wordt innovatie selectief ingezet: wel om intensieve landbouw in stand te houden, niet om duurzame alternatieven te versnellen.
De echte beperking zit daarom niet in biologische landbouw, maar in beleid en economische belangen die het huidige systeem in stand houden.
Voor iedereen die onze natuur en milieu aan het hart gaat: bewaar deze column van Frank Kalshoven, want dit argument zul je nog vaak horen – dat biologische landbouw te weinig voedsel oplevert. Een geliefde stelling van de intensieve landbouw en ieder die het huidige zieke, failliete systeem beschermt. De kromme argumentaties illustreren ook goed de psychologie van selectieve waarneming en selectieve intelligentie (kritisch denken alleen wanneer het uitkomt).
Ik hoef de hoofdpunten van Kalshoven niet te herhalen, ze staan hier duidelijk. Wel een paar aanvullingen/context die illustreren hoe ze deel zijn van een groter misleidend verhaal.
1. De stelling heeft als uitgangspunt dat we blijven eten zoals we doen, dus veel vlees en zuivel. Veel meer dan we nog maar 25 jaar geleden deden, en dan het Voedingsbureau onlangs adviseerde tbv klimaat en gezondheid. Zorgen over voedselschaarste zijn in de intensieve landbouw (bv. ook bij BBB) heel selectief, nl. alleen als het gaat om krimp van de veestapel of biologische landbouw. Terwijl er nu al schaarste is (bv. gebruik van landbouwgebieden elders in de wereld om ons vee te voeren, waardoor hun eigen kleinschalige landbouw onmogelijk is geworden, en het tekort aan granen door de huidige conflicten in de wereld, terwijl een groot deel van die granen voor ons veevoer is). Die schaarste neemt af zodra we meer plantaardig voedsel produceren en consumeren. Dan is biologische landbouw heel goed mogelijk. Maar dat is niet in het belang van grote bedrijven die verdienen aan alle rotzooi die dan overbodig wordt, zoals kunstmest, bestrijdingsmiddelen, veevoer uit Zuid-Amerika en diergeneesmiddelen (zie ook plaatje 2: mijn opinie in NRC 4 jaar geleden).
2. Door te doen alsof we moeten kiezen tussen de minimale biologische productie die er nu is of 100% biologische productie, negeer je dat het al enorm goed zou zijn wanneer we snel ontwikkelen naar bv. 50%. Voor datgene waar men tegen is, wordt gedaan alsof het alles of niets is; voor datgene waar men vóór is niet. Diezelfde truc wordt ook gebruikt als het gaat om plantaardig voedsel, dan wordt er bv. gezegd: als we helemaal geen dieren meer hebben, hebben we ook geen mest meer en is landbouw onmogelijk. Niet dat dat waar is, overigens: je kunt ook bemesten met ontlasting van mensen en plantaardige compost. In Gana wordt het al gedaan. Maar los daarvan, ook hier zou bv. 2/3 plantaardig heel mooi zijn. En daar zijn we bij lange na nog niet.
3. Doen alsof de technologie stilstaat is ook opmerkelijk: veelobby en politiek hebben de mond vol over “innovatie” als het gaat om stikstof, om krimp vd veestapel te voorkomen. Maar kun je écht iets goeds doen voor de planeet, is innovatie dan opeens niet meer mogelijk? Juist daar lijkt het nu eens wél heel effectief. Zoals Kalshoven in 4e punt zegt, het probleem zit meer bij wat door de overheid wordt gestimuleerd.
Vooralsnog is het dus eerder de overheid en niet de biologische landbouw die te weinig produceert.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd zonder de naam van auteur Roos Vonk te vermelden.







