Het is 1960. Ik woon in Balk, Gaasterland, Friesland. Een paar kilometer verderop is kamp Wyldemerk. Daar verblijven Ambonezen. Begin jaren ’50 uit Indonesië naar Nederland gehaald. Rond 300 bewoners verblijven in zeven barakken. Nogal vol dus.
De kinderen van het kamp gaan naar de openbare school in Balk. Busmaatschappij ZWH (De Zuidwesthoek) vervoert hen tussen kamp en school. Met de oudste bus die het heeft.
De Gaasterlanders wennen moeilijk aan de nieuwe – islamitische – inwoners. Die worden buitengesloten. Zeker als in het kamp de eerste nieuwgebouwde moskee van Nederland verrijst. Via schelklinkende metalen luidsprekers aan de houten minaret worden gelovigen opgeroepen tot gebed. Dat vinden wij maar raar. Het onbekende is bedreigend.
De dorpelingen noemen Ambonezen ‘de zwartjes’. Vrijwel niemand van ons komt in dat kamp. Dat durven we niet. Mijn vier jaar oudere zus wel. Die heeft daar vriendinnen.
Mijn christelijke school ligt iets voorbij hun school. We lopen er meestal in een groepje langs. Alleen voelt te onveilig. Soms vallen er opmerkingen over en weer en volgen gevechten. Scheldwoorden vliegen door de lucht. Vooral vanuit ons. Ik zal ze niet herhalen; hou het maar op erg onaardig. Geen wonder dat die woorden agressie bij hen oppookt.
Als er sneeuw ligt, houden we natuurlijk sneeuwballengevechten. Wij onder elkaar op het schoolplein. Liefst met wat losse sneeuwballen die lekker uit elkaar spatten in je nek. Op het plein voor de school met Ambonezen doen we dat anders. In elke sneeuwbal gaat een steen en maken we de bal zo hard mogelijk.
Wat drijft ons eigenlijk tot dit gedrag. Voeden volwassenen ons door weinig vleiend over Ambonezen te praten? Zijn we allemaal bang voor het onbekende?
Hoe ervaren de Ambonese kinderen dit alles. Je onwelkom voelen en uitgesloten zijn: een goede motor voor onwelgevallig gedrag.
65 jaar later. De geschiedenis herhaalt zich. Uitsluiting en mensen in een overvol centrum proppen. Hen het leven zuur maken, zodat ze hopelijk vertrekken. De oorzaak van hun vluchten naar Nederland lijkt onbelangrijk. Wegwezen! zo klinkt het. Daar vind ik iets van.
Heb ik eigenlijk wel recht van spreken, gezien mijn gedrag toen. Het leert me hoe een tegenstelling gecreëerd kan worden, terwijl die er feitelijk niet is. Het onbekende maakt angstig en voelt bedreigend. Toen en nu. Te veel óver vluchtelingen spreken en te weinig mét hen. Generaliseren als enkelen uit die groep iets onoorbaars uithalen.
Terug naar 1960. Mijn zus komt een keer thuis met een vriendin plus haar broertje uit het kamp. Het blijkt een ‘normale’ jongen. We spelen samen op de kwekerij van mijn vader. Halen beetje kattenkwaad uit.
Ik loop een keer langs de openbare school. Alleen. Ik zie hem. Hij ziet mij. We zwaaien. Weg angst. Weg bedreiging door ‘die zwarte’.
Geen buitensluiten meer. Omdat we elkaar nu bij naam kunnen noemen.







