Ik had me voorgenomen om alleen nog maar zinnige dingen tegen de hond te zeggen.
Toch zei ik: ‘Economie is lulkoek’, tegen Rosie. ‘Het zijn weliswaar cijfers en statistieken maar het is maar net wat je meet en, belangrijk, waar je de nadruk op legt.’
De hond besloot dat dit het goede moment was om als een speer langs de afrastering te gaan rennen. Er was tenslotte wat gaande in de wei. Ik had de trekker, met een grondbakje vol attributen, midden in het land geparkeerd. De kudde schapen was daardoor onrustig en daar hield de manisch plichtsgetrouwe bordercollie niet van. Dat hij daardoor mijn betoog over de economische waarde van de langs het kanaal fietsende zelfverklaarde wielrenners miste deerde hem niet. En daar had ik best begrip voor. Want wie luistert er tegenwoordig überhaupt nog naar een zestiger met een weldoordachte zienswijze?
Vier rotte palen telde ik. En een twijfelgeval. Eerst maar eens de oude krammen eruit wrikken. Als een niet ‘natural born farmer’ deed ik het niet zo slecht. Ik was weliswaar heus in Salland geboren maar werd door de omgeving, naar ik vermoedde, nog steeds als een stadse beschouwd. ‘Hij hef joar’n in t west’n ewoond.’
De krammen zaten diep. Dat had ik niet zo slim gedaan vijfentwintig jaar geleden, toen we net op de boerderij woonden en ik de handel strak had afgerikt. De zon brandde op mijn rug en Rosie was er bij gaan liggen, met zijn tong uit zijn bek. Ik zweette. Na wat gehannes met nijptang en schroevendraaier kreeg ik de oude palen uiteindelijk los van het schapengaas. Verderop brulden de tractoren van de profs. In grote stofwolken werd de eerste snee opgezogen door nietsontziende silagewagens. Een kaal weiland achterlatend waar zelfs de meest heldhaftige weidevogel niets meer te zoeken had.
Ik boorde gaten en timmerde de vijf harde palen de grond in. Met alleen maar dof klinkende rake klappen. De tuumhamer en ik waren een team geworden in de loop der boerenjaren. Sterk en trots deed ik een greep in de emmer met de glimmende, nieuwe krammen. Een boer kun je worden, zei ik tegen mezelf, en keek vanuit mijn ooghoek naar de roestrode McCormick.
Hoe gelukkig was ik soms als een klus op de boerderij vlekkeloos verliep, zoals vandaag. Ik timmerde de eerste kram in de nieuwe paal. Niet te diep deze keer, dat scheelde over vijfentwintig jaar weer een hoop werk tenslotte.
Cijfers en statistieken. Daar waren ze weer. Over vijfentwintig jaar was ik verdorie negentig jaar. Ik bevond me in het midden van een halve eeuw op deze plek. Of niet? Was ik er al ver overheen? Dat kon natuurlijk ook. Statistisch gezien was mijn einde dichterbij dan mijn korte boerenverleden lang was.
Godsamme.
Ik gaf een flinke klap op de kram. En nog één. En nog één.
Zo, die ging nooit meer los.






