Arjan Pronk: DE VOGELSHOW

Interessant? Deel het artikel

pronk

Mensen de gek aansteken is zo’n machtig mooi werk, dat is wat anders dan pesten. En dat is misschien ook de reden dat het vaak misgaat en wel als zodanig wordt ervaren, omdat de één dat niet voor de ander kan bepalen en omdat niet iedereen tact heeft. Ik kan wel denken dat ik het heb, maar…

We zaten in de afgeladen lokale kroeg, je had van die avonden dat iedereen er toevallig zat. Enkele kameraden zaten op kamers, waardoor we de Hollandse steden beter leerden kennen, met de band kwamen we wel in alle hoeken en gaten maar dat is toch anders.

Utrecht, Groningen, Haarlem, Amsterdam, Arnhem, het wisselde nogal eens. Wanneer je terug was in Luttenberg voelde je meteen wat er zo fijn was aan weggaan, dat je weer terug kon komen. Elke boerenknuppel snapt dat.

Vrijdagavond, het moet ergens in mei geweest zijn. Op de stamtafel slingerde vaak een krant, een leesmap of de Alleman, het dorpsblaadje met een paar eerste bladzijdes die je standaard oversloeg omdat er Rooms gelul in stond. Het opende elke week met een door meneer pastoor gekozen gedicht of fragment uit het grote boek. De verse pastoor was een hele vlotte, hij yogade zich de ballen uit z’n broek en het celibaat deed hem geen flikker. Hij zoog de hosties er soms aan de andere kant weer uit, hoorden we van de pastoorsmeid. Ze liep steeds vaker met een nat kruis in de kroeg te zwiepen, de vlotheid van meneer pastoor had niet alleen misdienaars-kaarsen aangewakkerd, het deed haar druipen tot diep in haar krochten. Meestal was het leesvoer natter dan de meid en onze lever, we wilden het niet weten, we wisten al genoeg.

Patrick Pronk, neef en kameraad, lag languit achterover met z’n poten op tafel en bladerde de Alleman achteloos door. Tussen twee jukebox-kneiters door veerde hij plots op en hij veegde z’n lange haar als een Cliff Burton uit z’n boeventronie. “Moet je horen!” Hij las een mededeling voor van ‘Vogelaar-club Raalte’, met enkele Luttenbergse flierefluiters was dat een kek clubje liefhebbers, vroege-vogels-kijkers pur sang. Zaterdagochtend was er een vogelspot-ochtend georganiseerd in het Luttenbergse bos, reerde Patrick.

Klømpies Bos dus, zo heette het bos in de volksmond. Om 7 uur werd er bij dorpshuis Elckerlyc verzameld en enthousiastelingen mochten aansluiten voor een educatieve ochtend. “Zullen we meedoen!”, was de eerste gedachte en reactie van eenieder. Het was wel akelig vroeg maar schijt, met drank in de man kon alles. Nog iene da!

Het was zo rond middernacht en de flessen bier joekelden over de tafel, niemand zat meer op voetbal of wat dan ook en we konden die ochtend best wachten. Overmoedig en met de geest op hol kwamen de wildste ideeën los. Bij jeugdgroep Aksie hadden ze een arsenaal aan verkleedspul, dat gebruikten ze elk jaar voor de vossenjacht. Daar zat ook een poesterig blauw Pino-pak tussen, zo eentje waar kinderen zich dood van schrokken. Een griezelfilm-variant die te lang verfrommeld in een kist op zolder had gelegen met een grimas in z’n verfrommelde snavel waar The Joker jaloers op zou zijn.

Zo out-of-the-blue ontstond het idee om mee te doen als vogel in plaats van vogelaar, dat was verdomd een machtig goed plan. Vogelaars zijn fanatiek en serieus opgewonden aangaande hun passie, makkelijke prooien om een streek mee uit te halen. Na Pino ging het los. Opgezette vogels aan bomen spijkeren. Eieren op het mos draperen. Een aan diggelen geslagen verrekijker aan een tak hangen. Overal fossens veren neerleggen met bloed alsof er een zwerm hondsdolle roofvogels rond zwermde. Zelf had ik cassettebandjes bij een kringloopwinkel gescoord met de gekste uitheemse vogelgeluiden. Ik kocht en zocht zulke rariteiten wel vaker, test-elpees met de mafste geluiden, hoorspelgeluiden, bandjes met ‘alle’ bekende Hollywood-schreeuwen enzo. M’n mafste geluidsdrager was een elpee met walvisgeluiden, die heeft nogal invloed gehad op mijn manier van bassen. Ik doe geregeld zo’n drachtige koe na die mijlenver onder de zeespiegel ligt te jongen, of een geile lokroep van een stier. Die is op een E-snaar met een fikse slide en een bend makkelijk te evenaren mits je een dikke Ampeg- of Fender-bassman hebt, op een oude Fender P-bass is dat helemaal feest. Soms dacht ik weleens dat er daarom van die dikke wijven over de monitorboxen hingen.

Met m’n cassettedeck onder m’n arm liep ik zo brak als een zombie de trap af. Half 5 hadden we afgesproken bij café de Schoenmaker voor, neef Patrick bonkte op m’n deur en we liepen stinkend naar drank het donkere dorp in. De klok sloeg vijf keer en een mens deed een wolf na, we stonden op onze achterste benen. Raymond van Olphen kwam van Elckerlyc af vliegen, hij had de sleutel omdat we er wel eens repeteerden, hij had het Pinopak al aan. Hij kon machtig goed gekke geluiden maken en klonk als een lamme fenix. Al fladderend stak hij met stuiptrekkingen de Butzelaarstraat over, het leek net echt. Patrick had een mand met eieren uit z’n pa’s exotische volière gegrist aangevuld met scharreleieren vol kippenstront en cloaca-dons. Daniël Bakker kwam uit het Ramakerspaadje scharrelen en had een opgezette bunzing en een apenkop uit de Congo meegenomen, z’n peetoom had er gewoond met z’n Belgische verkering. John Habers kwam de bocht om denderen met fietstassen vol dooie kippen, bij kippenboer Mars geritseld. Hij had ze uit een container getrokken en in een grijze vuilniszak gepropt. De veren zaten nog in z’n new-wave kapsel. Joachim van Gendt kwam uit het Bloemenbos met een megafoon en kon als geen ander de roepie-roepie-vogel nabootsen met z’n fluwelen, te vroeg gebroken, bariton. Thomas van Trekker Tijs had de verrekijker mee die nog geplet moest worden, gelukkig was hij met de trekker dus dat was snel gepiept. Slagerszoon Barrie van Kökkie had opgezette fazanten, een vos en wat uitheems gespuis in de kofferbak van z’n Commodore liggen. Ik meende een emoe, twee dodo’s, een cloacabeer, een nijlpaardenlul op sterk water en een soort steppenwolfje. Hij had ze ooit van z’n neef Gait van Køkkie gekregen, voor de geprepareerde Pygmee had ie bedankt want hij had geen zin in een bekeuring aan z’n broek.

Eddy Temmink, Wilfried Hutten, Edward Jansman en Joost Otten kwamen rechtstreeks van Coevorden met de Neuze en sloten naadloos aan zonder vreemde vogels te zijn. Ze kraaiden nog harder dan het kinderkoortje van Doortje en dachten dat we een griezeltocht aan het uitzetten waren voor kinderkamp. Mathé Oortwijn had kraaienpoten, een lege kanariekooi, een kleiduif en de trofee die hij had gewonnen met vogel gooien in z’n bakfiets.

Nee, dat hadden we de avond ervoor niet durven hopen, dat we allen daadwerkelijk op zouden draven. Walter van Lubbers kwam nog op z’n opoefiets de berg afrollen met een kogelriem om en een goedendag tussen z’n tanden. De patronen waren leeg want het kruit had hij allang verschoten. Jeroen van Lubbers kwam op de valreep met Peter Pronk op z’n rug de kroeg uit, ze waren niet weg geweest en hadden een smak geld verloren met kaarten. Ze walmden als Angus Young na zijn laatste solo, de rooklucht krulde ze vers uit hun spijkerpak.

We hadden genoeg dondervogels voor een dolle ochtend en we moesten haast maken. De vogelaar is een kwieke vogel die liever te vroeg dan te laat is. We stuiterden rap achter Maalderij Booijink langs en doken het pad in op de plek waar vroeger de molen stond.

De drank was nog lang niet uitgewerkt maar gelukkig hadden we afgesproken om na het gedonder even de kroeg in te duiken om de nadorst alvast te lessen. Jan van de Schoenmaker had ons alleen maar uitgelachen omdat hij zeker wist dat het bij wilde plannen zou blijven. We hadden geen spijt van de korte nacht en onze bezopen kop, het was een leeftijd waarop je door bergen kon lopen.

We voerden de show op, zo slim waren we wel. Rustig en geloofwaardig beginnen. Hier en daar veren en wat bloed. Zo gaandeweg de verrekijker, wat eieren. Zo halverwege het rondje begonnen we met zwaarder geschut, lege patronen, dooie kippen aan takken gespiest. Ze zouden denken dat er een grauwe klauwier op steroïden rond zou jakkeren als een straaljager. Een opgezette vos in een houtwal met een patrijs in z’n bek, een buizerd op de kop in een dooie eik. Een dolk aan een wegwijsbord met daaraan een smerig klein slipje. De dodo’s en de andere uitheemse soorten maakten de vogelaarochtend tot een morbide freakshow. De apenkop bovenop de berg bij de picknicktafel, daar waar je uitzicht had over een keten van heuvels die de Luttenberg leken te omsingelen, op een rikkepaal. Het verschimmelde steppenwolfje zetten we pontificaal op de picknicktafel, het maakte van de plek een rituele, mystieke offerplek. Je zou de gretige zoektocht naar het vrolijke lente-getjilp abrupt staken met een vederpak vol angstzweet en dunne mest.

We gingen door en kraaiden als halve gekken. Soms waren we ons bewust van de aankomende vogelaars, de eersten stonden vast al te trappelen bij Elckerlyc met een kop koffie uit hun thermoskan. Opschieten, en de grol niet verprutsen. Het everzwijnhoofd drukten we tussen de varens alsof hij eruit wilde schieten om je voorgoed in een rolstoel te buffelen. De laatste dooie kippen en kogels smeten we achteloos op het pad. Een dode kraai hingen we aan een sjorband midden boven een pad via een laag hangende beukentak. Joachim verschanste zich met de megafoon in de ‘witte wie’m koele’ om vanuit die centrale plek roepie-roepie de wildernis in te kwaken. De nijlpaardenlul op sterk water zetten we bij een verlopen bankje op het hoogste punt waar je zo op Raalte keek. Zelfs de rode bosmieren verdwaalden toen we ‘voodoo kiekeboe’ in het zand schreven met een dooie tak. Achter het kerkhof, daar waar de route rond werd en de tocht erop zat, daar kon Raymond, alias Bullet-Ray, zich mooi in z’n Pino-pak verschansen. Ik had besloten om her en der in de binnenkant van het pad te ritselen met m’n cassettedeck op 10. Wat zouden ze glunderen bij het horen van een zeldzame uitheemse soort.

Pino was de dop, de afsluiter en de kroon op onze fopshow. De verrader, de ontknoping, de killer van de illusie. Raymond was motorisch zeer begaafd en durfde bijna alles. Dit was voor hem een tweede natuur, hij begon de zoere geur van de binnenkant van z’n pak zelfs lekker te vinden. Grote kans dat hij het hoofd die avond gewoon op zou houden wanneer we naar zaal Struik gingen. Nashville Pussy trad daar op en daar zou hij zonder aanstoot te geven rond kunnen zwieren.

Het begon steeds lichter te worden en we lagen klaar in de hinderlaag, gecamoufleerd door een katerige mist in natuurlijke schutkleuren. De stilte voor de storm. Het jammere van zulke grollen is, je krijgt als gek-aan-steker nauwelijks mee wat je bewerkstelligt.

Het duurde lang en we hadden zelf al veel gespot in onze hinderlaag. Hazen, reeën, en zelfs een jogger, die is vast met z’n legging vol stront het bos uitgerold, je zou nog op het Franciscushof terecht komen wanneer je wat labiel was. De vogels kwetterden en de dag werd wakker, aldermachtig mooi is de wereld. Ik denk dat we ons allen realiseerden dat het beter toeven was in de bos dan ruftend in je beddestee. Raymond dacht daar vast anders over in z’n verse lijf, hij begon te zweten als een otter en het begon hem overal te jeuken. Ik hoorde af en toe een roepie-roepie geluid dat afnam in geestdrift. Ook raakte de batterij van m’n cassettedeck leeg van telkens even checken. De eerste kip was al door een vos meegesleept z’n hol in. Als ie dat maar overleefde, die plofkippen zaten vast vol met gif. Een enkeling droeg nog z’n heilige communie-horloge en we hoorden de kerkklok al half 8 slaan. Verdomme, geen jungle-fever en geen safari pakje te ontdekken. Geen gekir, geloer en geteut. De eieren en de patronen lagen er voor Jan Doedel. De apenkop werd gezien door een paar lome koeien die niks zagen. Wat een sof… de opgewondenheid maakte plaats voor garigheid en ik gaapte me door de ochtendauw. Zouden we ons vergist hebben, in de week?  Ik hoorde ‘roepie roepie’ luid maar desolaat. Daarna schalde het ‘Is daar iemand?’, een haas vluchtte uit de krentenstruiken, gevolgd door vogels en veldmuizen. Zoals je zag in een film wanneer er brand in het bos was.

Tering, ik besloot naar de ingang te lopen en zette de uitheemse vogelshow baldadig hard aan, met de laatste krachten van de batterij. Zo gaandeweg kwam ik alle vogels tegen, teleurgesteld en zo duf als een myxomatose-konijn. Patrick mompelde of hij zich in de week had vergist… ja het was nogal laat vannacht en we hadden gezopen als tempeliers. Eenmaal bij het kerkhof en het paadje naar het dorp lag er een grote blauwe vogel in de brandnetels, Raymond was in slaap gevallen in z’n coconnige smoezelige bodybag vol plastic veren. Pino from hell was een slaapzak geworden.

Café de Schoenmaker zat nog dicht en we klapten neer op het verlaten terras. Godverdomme, kut-vogelaars.

Interessant? Deel het artikel

Blijf op de hoogte

Abonneer je op een of meerdere van onze nieuwsbrieven en ontvang elke week een update van de artikelen op Hier in Salland. Om de twee weken verloten we onder de abonnees om en om een pakket uit de biologische boerderijwinkel Overesch en de biologische Supermarkt in het Bos van Kleinlangevelsloo, beiden in Raalte. Bekijk de spelregels.

Meer over

Blijf op de hoogte

Abonneer je op onze nieuwsbrief en ontvang elke week een update van de artikelen op Hier in Salland. Iedere maand verloten we onder de abonnees een pakket uit de biologische boerderijwinkel Overesch in Raalte. Bekijk de spelregels.

Partnerbijdragen

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *